Twee keer dezelfde werkelijkheid: Kwaliteitsborger en EP-adviseur doen dubbel werk
De invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen heeft geleid tot een nieuwe speler in het bouwproces: de kwaliteitsborger. Inmiddels zijn de eerste ervaringen opgedaan en ontstaat steeds beter zicht op de wijze waarop de verschillende rollen binnen het bouwproces zich tot elkaar verhouden. Daarbij valt één aspect in het bijzonder op: de opvallende overlap tussen de werkzaamheden van de kwaliteitsborger en die van de gecertificeerde EP-adviseur.
De EP-adviseur voert aan het einde van het bouwproces een fysieke opname uit om vast te stellen of de kenmerken van het gerealiseerde gebouw overeenkomen met de uitgangspunten van de energieprestatieberekening. Op basis daarvan wordt onder meer het energielabel vastgesteld. Die fysieke controle is een essentieel onderdeel van het huidige stelsel van energieprestatie-advisering.
De kwaliteitsborger heeft echter gedurende het bouwproces een vergelijkbare opdracht. Om te kunnen verklaren dat een bouwwerk voldoet aan de bouwtechnische voorschriften van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), moet hij immers vaststellen dat het gerealiseerde bouwwerk overeenkomt met het bouwplan en de daaraan ten grondslag liggende berekeningen. Dat geldt nadrukkelijk ook voor aspecten die bepalend zijn voor de energieprestatie van het gebouw.
Denk aan isolatiediktes, toegepaste materialen, aansluitdetails, beglazing, kierdichting, ventilatievoorzieningen en installaties. Wanneer tijdens de uitvoering wijzigingen worden aangebracht die gevolgen kunnen hebben voor de BENG-berekening, zal de kwaliteitsborger moeten beoordelen of nog steeds aan de voorschriften wordt voldaan.
Daarmee ontstaat een opmerkelijke situatie. De kwaliteitsborger controleert tijdens de uitvoering een groot deel van dezelfde kenmerken die de EP-adviseur later tijdens zijn fysieke opname opnieuw vaststelt.
De vraag is dan welke van beide professionals beschikt over de beste informatiepositie.
De kwaliteitsborger bezoekt een project meerdere keren tijdens de bouw. Hij kan isolatie beoordelen voordat deze wordt weggewerkt. Hij kan luchtdichtingsmaatregelen zien voordat afwerkingen worden aangebracht. Hij kan installaties inspecteren voordat plafonds worden gesloten. Juist de onderdelen die van grote invloed zijn op de energieprestatie zijn tijdens de uitvoering vaak beter zichtbaar dan na oplevering.
De EP-adviseur komt daarentegen meestal pas in beeld wanneer het gebouw gereed is. Veel constructies en installatiedelen zijn dan niet meer zichtbaar. Zijn beoordeling is daarom noodgedwongen gebaseerd op een combinatie van zichtbare kenmerken, documentatie en aannames volgens de geldende methodiek.
Dat roept een fundamentele vraag op.
Waarom moet een gecertificeerde EP-adviseur opnieuw fysiek vaststellen wat reeds door een toegelaten kwaliteitsborger tijdens de bouw is vastgesteld?
Die vraag wordt soms afgedaan met de constatering dat het hier om twee verschillende wettelijke stelsels gaat. De kwaliteitsborger opereert binnen het stelsel van de Wkb, terwijl de EP-adviseur werkt binnen het stelsel van de energieprestatieregelgeving. Dat is feitelijk juist, maar vormt op zichzelf geen overtuigende reden voor dubbele controles.
In de bouwsector bestaan immers meer situaties waarin verschillende kwaliteitssystemen naast elkaar functioneren en informatie uitwisselen. Verschillende toezichthouders en verschillende regimes sluiten samenwerking of wederzijdse benutting van informatie niet uit.
De discussie zou daarom niet moeten gaan over de vraag of de rol van de EP-adviseur of die van de kwaliteitsborger moet verdwijnen. Beide functies hebben een eigen verantwoordelijkheid en een eigen doel.
De werkelijke vraag is of het logisch is dat twee professionals dezelfde fysieke werkelijkheid grotendeels onafhankelijk van elkaar moeten vaststellen.
Wanneer een kwaliteitsborger tijdens het bouwproces al heeft geverifieerd dat de gerealiseerde uitvoering overeenkomt met de uitgangspunten van de energieprestatieberekening, ligt het voor de hand om te onderzoeken hoe die informatie beter kan worden benut. Dat zou kunnen leiden tot een meer risicogerichte werkwijze, minder dubbele inspecties en lagere uitvoeringskosten, zonder afbreuk te doen aan de betrouwbaarheid van het systeem.
De vraag is dus niet of de EP-adviseur zijn werk wel of niet goed doet.
De vraag is waarom twee professionals dezelfde werkelijkheid moeten vaststellen, terwijl één van beiden die werkelijkheid tijdens de bouw al veel uitgebreider heeft kunnen beoordelen. Ik zou zeggen: regel dat de EP-adviseur gebruik mag maken van de gegevens van de kwaliteitsborger. Geen dubbel werk meer dus!
Dat lijkt mij een ‘stoere’ discussie die de moeite van het voeren waard is. Het voorstel van de minister om het toezicht op energielabels bij de TloKB onder te brengen is wellicht een voorzichtige eerste stap in die richting.
